Wanneer mensen mij vragen: "Wanneer besefte je dat je ouders doof zijn?",
kan ik daar geen antwoord opgeven. Ik heb in mijn leven geen moment
gehad dat ik dacht 'Hé mijn ouders zijn doof en andere ouders
zijn horend, da's vreemd'. Het was voor mij gewoon een feit en niks
bijzonders. Het waren anderen die het bijzonder vonden en maakten. Als
kind stond ik daar totaal niet bij stil. Ik was met andere dingen
bezig. Lekker spelen en ravotten. Ook voor mijn
vriendjes/vriendinnetjes was het geen onderwerp van gesprek. Ik nam ze
gewoon mee naar huis, niks aan de hand. Ik vertelde ook nooit bewust
dat mijn ouders doof zijn. Ik vond dat niet nodig. Waarom zou ik dat
moeten vertellen? Als mensen het dan te weten kwamen, zeiden ze: "Zijn
jouw ouders doof? Dat wist ik helemaal niet". 'Dat hoeft ook helemaal
niet', dacht ik dan.
Mijn kinderjaren waren onbezorgd. De buurvrouw en familie ondersteunden
mijn ouders. Op de dovenclub speelden we met andere CODA's en ook
binnen onze familie komt doofheid voor waardoor we ook met onze CODA
nicht en neef speelden. Mijn zus belde voor mijn moeder, maar dat
gebeurde pas op latere leeftijd toen onze ouders gescheiden waren. Ik
tolkte wel eens als er iemand voor de deur stond, maar dat vond ik heel
normaal. Als de verkoper dan bijvoorbeeld Engels begon te praten, omdat
ze aan mijn moeders dovenstem een Engels accent dacht te herkennen, zei
ik "mijn moeder is doof". Als mijn moeder mij vroeg om te bellen
had ik vaak geen zin, vertelde dat en dan deed mijn zus het. Wellicht heeft mijn zus het hierdoor heel anders ervaren dan ik.
Toen ik naar de brugklas ging, wilde ik niet dat de brugklassers te
weten kwamen dat mijn ouders doof zijn. Ik schaamde me als ik in het
winkelcentrum met mijn moeder liep en ze gebaarde. Ik wilde zo min
mogelijk gebaren, want stel je voor dat mijn klasgenoten dit zagen. Als puber
schaam je je meestal voor je ouders, dus ik vind dit niks bijzonders.
Als ik een vriendje had, vertelde ik pas vlak voor de kennismaking dat
mijn ouders doof zijn. De meeste vriendjes gingen hier goed mee om.
Mijn moeder is een heel warm en hartelijk mens, dat maakt een eerste
kennismaking ook makkelijker. De persoon die achter de doofheid
zit, is het belangrijkste. Ik herriner me dat ik wel eens voor een
ouderavond/rapportbespreking heb getolkt voor mijn moeder. Ik zat toen
in de zesde klas. Ik voelde me heel bijzonder dat ik wel hierbij mocht
zijn en de andere kinderen niet. Ik was erg leergierig. Op school kwam
ik veel te weten over hoe het leven en de wereld in elkaar zit.
Toen ik en mijn zus begonnen te puberen boterde het niet meer tussen
ons en onze moeder. Ze snapte de puberteit niet. We hoorden te
luisteren en niet opstandig te zijn. We zijn toen bij het reguliere
maatschappelijk werk beland waar wij als pubers de gesprekken tolkten
voor onze moeder. Of het veel geholpen heeft weet ik niet. Er bleven
botsingen bestaan, omdat wij onze eigen wil hadden. Op mijn 21ste
ben ik uit huis gegaan, omdat het reizen van en naar mijn stage te ver
was. Mijn moeder heeft mij altijd gesteund, zo ook bij deze beslissing.
Toen ik 23/24 was, begon ik vragen te krijgen over mijn identiteit. Ik
zat met allerlei vragen en miste een moeder/vader die deze kon
beantwoorden en mij kon ondersteunen. 'Wie ben ik, wat wil ik, waarom
ben ik zo, waarom heb ik geen horende ouders', dit zijn de dingen die ik
me afvroeg. Ik voelde me verantwoordelijk voor mijn moeder en voelde me
schuldig als ik haar lang niet gezien had. Dit had echter niet te maken
met haar doofheid, maar met het feit dat ze alleen is. Ook horende
kinderen hebben dit, heb ik zo ervaren. Ik kon niet goed voor mezelf
opkomen. Ik had geen sterke eigen mening. Dit ging vooral toen spelen
toen ik in een studentenhuis woonde. Ik ben toen een
assertiviteitstraining gaan volgen aan de universiteit. Dit
heeft veel geholpen. Ook ben ik in contact gekomen met een
zelfbewuste dove moeder van horende kinderen. Zij kon mij
antwoord geven op de vragen die ik had. Zij was op dat moment heel erg
belangrijk voor mij in die periode van mijn leven. Zij vertelde me hoe
het voor dove ouder is om een horend kind te hebben. Ik heb hier veel
inzicht gekregen hoe het voor mijn moeder moest zijn om ons alleen op
te voeden. Ik heb hierdoor veel respect voor mijn moeder gekregen. Ik
heb mijn CODA zijn een plekje kunnen geven.
Nog steeds regel ik wel eens dingen voor mijn ouders, maar ik zie dat
niet als bezwaarlijk. Zij kunnen iets niet wat ik wel kan en ik roep
ook hun hulp in als er iets is wat ik niet kan (klussen
bijvoorbeeld). Daarnaast is er nu gelukkig, anders dan vroeger, maatschappelijk werk waar mijn ouders
ondersteuning van kunnen krijgen als ze het nodig hebben. Pas op latere leeftijd toen ik in de dovenwereld kwam te
werken, leerde ik goed gebaren. Mijn ouders zijn beiden oraal opgevoed
en hadden een huisgebarentaal. Ik heb diverse NGT-cursussen gevolgd.
Ook kwam ik er pas op latere leeftijd achter dat ik CODA ben. Ik had
nooit de behoefte om met andere CODA's bijeen te komen. Ik dacht altijd
dat het een 'huilgroep' was. Nu ik wel in contact kom met andere
CODA's merk ik dat je juist onwijs met elkaar kunt lachen en ook
heel gezellig over andere dingen kunt praten. Iedereen maakt in zijn
leven dingen mee die ze een plek moeten geven. Het kind van dove ouders
zijn is daar geen uitzondering in. Ik relativeer en kijk naar de mooie
dingen die het me gebracht heeft.