Gestel


Dovengeschiedenis in Nederland

orangeb

Dove historica drs. Annemieke van Brandenburg vertelt over de ontwikkeling van het dovenonderwijs, emancipatie van doven, het ontstaan van de tegenwoordige Dovenschap en het ontstaan van welzijnstichtingen.

"In de afgelopen jaren is in Nederland de emancipatie van doven steeds groeiende. Dove mensen manifesteren zich in allerlei sectoren van het maatschappelijk leven in Nederland. Tot halverwege de jaren zeventig was daarvan nog nauwelijks sprake. Tot zolang werd het leven van doven voor een groot deel bepaald en ingevuld door de horenden om hen heen, vooral vanuit het dovenonderwijs.

 Deze lezing schetst in grote lijnen de geschiedenis van de Dovenbeweging in Nederland. Het verhaal begint op het einde van de 18e eeuw met het ontstaan van dovenonderwijs in Nederland. De nadruk van de lezing ligt echter op de ontwikkelingen in de 20e eeuw.

In 1790 werd in Groningen het eerste instituut voor doven opgericht door H.D. Guyot. Guyot heeft tevoren les genomen in Parijs bij Abbé de l'Epée en bracht diens onderwijsmethode mee naar Groningen. In de loop van de 19e eeuw kwamen er nog drie scholen voor doven bij in Nederland, nl. in St. Michielsgestel (1840), in Rotterdam (1853) en in Leiden (1888). Het laatstgenoemde is later verhuisd naar Voorburg. Als deze scholen werden oraal vanwege het Congres van Milaan. Kortgeleden werd er Total Communication ingevoerd. Alleen St. Michielsgestel is tot op heden oraal gebleven.
Zonder deze scholen was de Dovenbeweging in Nederland er waarschijnlijk nooit geweest. De scholen brachten de dove kinderen van overal in het land in contact met elkaar - kinderen die meestal uit families kwamen waar ze als enige doof waren. Eenmaal volwassen geworden, wilden ze elkaar blijven ontmoeten en samen activiteiten opzetten. Uit zulke contacten en door een goede samenwerking ontstond er in de loop van de tijd een Dovenbeweging die zich steeds verder ontwikkelde tot die geworden is zoals hij nu is.

Voor zover het bekend is, is de eerste Nederlandse dovenvereniging in 1884 opgericht, namelijk de Algemene Nederlandse Dovenvereniging Guyot. Deze is begonnen als een reünie-club van de oud-leerlingen van het Groningse instituut die in Amsterdam en omgeving woonden. Eerst kwamen ze bij elkaar bij ieder van hen thuis en op een gegeven moment werd er geld ingezameld om een feest te organiseren. Het beviel zo goed dat dit vaker gebeurde. Zo kwam men op het idee om een echte vereniging op te richten. De oprichters gaven hun vereniging de naam van 'Guyot' als eerbewijs aan de stichter van hun school, H.D. Guyot. andere groepen doven in grote plaatsen in Nederland volgden dit voorbeeld en richtten ook een eigen vereniging op. Deze verenigingen waren vooral gericht op ontspanning zoals gezellige bijeenkomsten en uitstapjes.

Behalve deze ontspanningsverenigingen ontstonden ook plaatselijke sportclubs zoals voetbal-, biljart- en zwemverenigingen. Deze clubs begonnen ook wedstrijden te organiseren met soortgelijke clubs in ander landen. In 1924 werden in Parijs de 1e Internationale Spelen voor doven gehouden en er waren ook dove deelnemers uit Nederland. Er werd besloten dat de 2e Internationale Spelen in Nederland gehouden zouden worden. Dit leidde tot de oprichting van de Nederlandse Dovensportbond in 1926. De verschillende sportclubs door het hele land sloten zich aan bij deze landelijke bond die de oudste bond van dovenverenigingen in Nederland is. De oprichters waren allen doof.

Enkele jaren later, in 1931, kwam nog een andere bond tot stand: de Nederlandse Bond van Doofstommenverenigingen (NCBD). Daarin zijn de vele ontspanningsverenigingen in Nederland bijeengebracht. Deze nieuwe Bond heeft zich als doel gesteld "het verbeteren van de geestelijke, lichamelijke en materiele toestand der doofstommen". In het bestuur zaten zowel doven als ook horenden.

1940 was het oprichtingsjaar van een andere grote bond in Nederland, namelijk de Nederlandse Christelijke Bond van Doofstommen (NCBD). Deze bond was voor oud-leerlingen van het protestants-christelijke doveninstituut te Voorburg. Het doel ervan was "het bevorderen van de geestelijke en maatschappelijke belangen van de christelijke doofstommen". Het religieuze leven van die doven moest zodoende bewaakt worden. De bond heeft een netwerk van enige tientallen afdelingen door het hele land. In het hoofdbestuur zaten in het begin uitsluitend horenden, meestal medewerkers van het instituut te Voorburg. Op den duur moesten doven zich erin vechten om dan met de horenden te 'mogen samenwerken'. In de afdelingsbesturen zaten zowel doven als horenden hoewel de functie van de secretaris meestal in handen van een horende was.

In Nederland duurde de Tweede Wereldoorlog van 1940 tot 1945. Dit had tot gevolg dat de ontwikkeling van de Dovenbeweging tot stilstand kwam en zelfs achteruit ging. Zowel de Dovensportbond als de NBDV verloren in die periode veel van hun beste bestuursleden en gewone leden die joods waren. Zij werden weggevoerd naar de concentratiekampen en kwamen niet meer terug. Na de oorlog begon de moeizame herstel va de Dovenbeweging. Geldgebrek was het grootste probleem.

Dan, in 1949, kwam een Amerikaanse film "Johnny Belinda" in de Nederlandse bioscopen te draaien. Dat was de eerste film over een dove persoon die ooit in Nederland werd vertoond. Als voorfilmpje bij die film werd een korte voorlichtingsfilm gemaakt over de leefsituatie van doven in Nederland. Dit gaf de aanleiding tot geldinzamelingen door de NBDV onder het Nederlandse publiek, de zogenoemde Johnny Belinda-actie. Deze actie werd een groot succes. Het geld dat opgebracht werd, is bestemd voor de opbouw van welzijnswerk onder dove volwassenen. Echter, dit bracht de doven in conflict met de dovenscholen. Dat was het begin van Dovenemanicpatie in Nederland. Nu weigerden de doven het standpunt van de dovenscholen langer te accepteren, en zo begonnen te vechten voor hun rechten.

In 1951 kon dankzij de Johnny Belinda-actie de Stichting Dovenzorg worden opgericht die als taak had het welzijn van dove volwassenen te bevorderen door sociaal cultureel werk. Daaruit kwam het Volkshogeschoolwerk voor doven voort, en later het Vormingswerk voor Doven. Het bestuur van de Stichting Dovenzorg telde 7 personen waarvan 4 doof waren. De rest was 'doofvriendelijke' horenden uit het dovenonderwijs. De Stichting Dovenzorg heeft ook aan de wieg gestaan van de latere Stichting Nederlandse Dovenraad.

In de vroegere jaren vijftig was de Nederlandse Dovenbeweging tamelijk versnipperd en dit maakte dat de maatschappelijke positie van doven zwak was. Er moest een sterke organisatie komen waarin de verschillende dovenverenigingen en -bonden konden samengaan en zodoende hun belangen gezamenlijk en meer efficiënt konden verenigingen. Dus, eendracht maakt macht! Dit leidde in 1953 tot de oprichting van de Nederlandse Dovenraad, die als schakel diende tussen de Stichting Dovenzorg, de NBDV en de Dovensportbond. Later kwam de NCBD deze schakel versterken. Het belangrijkste doel van de Nederlandse Dovenraad was, en is nog steeds de belangenbehartiging van doven in Nederland in de meeste ruime zin van het woord.

Echter, in het begin was de Dovenraad niet in staat optimaal te functioneren omdat het zelfbewustzijn van doven toen nog langzaam groeide en de integratie van doven in de maatschappij nog vrij beperkt was. Een andere reden was dat de hele Nederlandse maatschappij toen nog scherp verdeeld was in drie zuilen: Protestants, Katholiek en 'neutraal'. De samenwerking tussen de dovenorganisaties was moeilijk door deze verzuiling. Deze situatie duurde voort tot in de jaren zeventig. Toen kwamen verschillende sociale bewegingen - zoals de emancipatiebewegingen onder studenten, vrouwen, homo's/lesbo's en gehandicapten - plotseling tot een stroomversnelling. De doven konden nauwelijks achterblijven in deze ontwikkelingen, en ze werden meegevoerd in de stroom van verandering.

Dit schiep een gunstig klimaat waarin de Dovenraad zich kon ontplooien. De samenwerking tussen de verschillende bestaande organisaties verbeterde zodanig dat in 1977 de Dovenraad eindelijk in staat was om haar statuten te laten bekrachtigen en daarmee officieel een stichting kon worden: de Stichting Nederlandse Dovenraad. Nu werd het mogelijk om een beroep te doen op subsidie van de overheid, en vooral om een serieuze gesprekspartner te worden van de overheid.

Vanaf die tijd ging het hard met de Nederlandse Dovenbeweging. De Dovenraad kon zich al haar energie richten op haar hoofddoel, nl. de belangenbehartiging van doven in Nederland. Intussen ontstonden in het hele land in snel tempo plaatselijke en regionale welzijnsorganisaties van doven. Deze functioneren als paraplu-organisaties voor de plaatselijke dovenverenigingen en -clubs. De 14 welzijnstichtingen vonden één voor één aansluiting bij de Dovenraad die zodoende een overkoepelende organisatie is geworden. Op die manier kan er beter aan belangenbehartiging gewerkt worden, dat is het allemaal om begonnen.

De Dovenraad is helaas in 1993 ter ziele gegaan als gevolg van onder ander financiële problemen. De overheidssubsidie is opgehouden, enerzijds door bezuinigingswoede en anderzijds door bezuinigingswoede en anderzijds door een te ambitieus werkprogramma. Er waren erg veel plannen die in die tijd niet uitgevoerd worden. Omdat de welzijnstichtingen van doven door deze situatie hun overkoepelende organisatie kwijt zijn geraakt, richtten ze een korte tijd erna een nieuwe op, de Federatie van Welzijnstichtingen van Doven in Nederland, afgekort Feweldoned. Deze zette het werk van de Dovenraad voort, voorzover dat mogelijk was. De activiteiten bij de Welzijnstichtingen konden gewoon doorgaan, als dan niet gesubsidieerd door de provinciale of de plaatselijke overheid.

Intussen werd in 1995 een nieuwe landelijke organisatie opgericht die min of meer de opvolger van de voormalige Dovenraad is. Deze nieuwe organisatie kreeg de naam NeDo (Nederlandse Dovenorganisatie) maar deze naam werd al spoedig gewijzigd in Dovenschap. De voornaamste doelstelling is weer de belangenbehartiging van doven in Nederland. Om subsidie van de landelijke overheid te kunnen krijgen moet aan een aantal voorwaarden voldaan worden zoals een degelijk werkprogramma en een sterk bestuur met een geschikte voorzitter. En natuurlijk het allerbelangrijkste zijn de noodzakelijke steun van en samenwerking met de welzijnstichtingen en de andere organisaties van en voor doven zoals de Doveninstituten, de Ouderorganisaties van dove kinderen, de JongerenCommissie, de Landelijke Overleg van Dove Ouderen...
Pas dan kan Dovenschap zich met recht een serieuze gesprekspartner van de overheid genoemd worden om vervolgens zijn programma uit te kunnen voeren. Dat gebeurt ook tot op heden".

Leiden, januari 2000

Onze hartelijke dank gaat uit naar Annemieke van Brandenburg voor het beschikbaar stellen van deze informatie.


orangebr