![]() |
|
Home | CODA | Stichting CODA | DOHK | Nieuws | Agenda | Veelgestelde vragen | Publicaties |
Dovengeschiedenis| Levensverhalen | Door CODA's | Contact |
Levensverhalen

Interview met Hettie van Vessem op 3 januari 2007
Na een korte reis zit ik tegenover het echtpaar Van Vessem. Met een potje thee op het theelichtje en zelfgebakken cake op tafel (de specialiteit van Leo) steken we van wal.
Hettie van den Berg is geboren op 21 december 1922 in Amsterdam. Ze is 84 jaar jong en getrouwd met de 90-jarige Leo van Vessem. Beiden staan nog midden in het leven en hebben veel te vertellen.
Hettie begint te vertellen over haar ouders: “Mijn beide ouders zijn doof. Mijn moeder is doof geboren in het jaar 1899 en mijn vader is doof geworden op jonge leeftijd. Moeder heeft in Sint Michielsgestel op school gezeten en vader in Groningen. Mijn moeder is naaister geweest en vader een los arbeider. Hij had geen vak geleerd. Het was een gemengd huwelijk, dat toentertijd grote problemen opleverde. De familie van mijn vader was van protestantse komaf en de familie van mijn moeder was echter katholiek. Door o.a. het gemengde huwelijk heeft het huwelijk van mijn ouders niet lang stand gehouden.
Toen ik 7 jaar was gingen mijn ouders dan ook scheiden. Ik ben toen vier jaar bij mijn vader geweest en woonde in een hervormd weeshuis. Hij kwam mij in de weekenden ophalen en we gingen dan bij dove kennissen op bezoek. Ook aten we dan bij de Volksgaarkeuken in de Spuistraat in Amsterdam, waar alleenstaande mannen kwamen eten”.
In de tijd dat Hettie geboren werd, heerste het idee dat dove mensen niet in staat waren kinderen op te voeden. Daarom is zij in het weeshuis terecht gekomen.
Toen zij 11 jaar was werd ze aan haar moeder toegewezen en moest ze naar een katholieke school.
Ondanks dat ze Nederlands Hervormd was gedoopt werd ze daar aangenomen. Zij vertelt dat ze niet door haar moeder, maar door haar grootmoeder is opgevoed. Hettie had een horend zusje, Ans, die bij haar moeder is blijven wonen. Later is haar moeder hertrouwd met een dove man en van deze man is er nog een zusje doof geboren, Liesje waarmee ze veel contact had en nog heeft . Ze vond het gewoon om een doof zusje te krijgen. Ze is als een moeder geweest voor dat 16 jaar jongere zusje. Ze heeft de rol van haar moeder in de opvoeding overgenomen. Hettie ging met haar zusje mee naar het ziekenhuis en kwam ook naar de ouderavonden op de Ammanschool. Haar eigen moeder deed wel de verzorging van Liesje, maar Hettie deed de rest.
Als er problemen waren met Liesje werd Hettie erbij geroepen om die op te lossen.
Hettie heeft in de tijd dat ze bij haar moeder woonde geen contact meer gehad met haar eigen vader. Dit mocht niet. De tweede vader van Hettie was meubelmaker. Hij had net als haar eigen vader in Groningen op school gezeten. De mannen kenden elkaar. Moeder had met haar familie weinig contact. Er werden geen gebaren gebruikt en er waren geen diepe gesprekken. De contacten die er waren gingen via Hettie. Moeder had wel contact met haar broer; zij was jaloers op Hettie dat zij wel horen kon en ze heeft het nooit geaccepteerd dat ze doof was. Haar tweede vader wel. Moeder wilde alles weten. Op haar 14de jaar ging Hettie als dienstmeisje werken. Hettie was 18 jaar toen de oorlog begon. Ze waarschuwde haar ouders als de sirenes af gingen. In de hongerwinter was Hettie degene die op de fiets naar Holten fietste vanuit Amsterdam om bij een boerenfamilie (waar een jongen zat ondergedoken die een dove oom had) eten op te halen.
Hettie communiceerde met haar moeder in gebarentaal. Ze werd als kind regelmatig door haar moeder geroepen om te komen tolken als er bijvoorbeeld iemand aan de deur was. Ook als ze op de markt liepen vroeg moeder aan haar ” Vraag hoeveel kost”.
Hettie vroeg zich als kind echter af hoe haar moeder het dan deed als ze alleen naar de markt ging, want dat deed ze ook. Ook op latere leeftijd ging het helpen o.a. bij de financiën van haar moeder door. Hettie: ”Ik ben eigenlijk een moeder voor mijn moeder geweest”.
Na de oorlog in 1945 ontmoette Hettie haar huidige man Leo. Zij zat toen in het korps vrouwelijke vrijwilligers en Leo had een functie bij het militair gezag.
Hettie maakte de lunches klaar voor de militairen. Op een dag zagen elkaar in de eetzaal van een afstand ….. ze wisten het : was liefde op het eerste gezicht. Toen moeder Leo voor de eerste keer zag, bekeek ze hem van top tot teen. “Ik kan zien hij veel meegemaakt”, zei ze tegen Hettie.
Hettie kende Leo toen nog nauwelijks en wist nog niets van zijn verleden. Haar moeder had het eerder door dan Hettie. Leo heeft in een concentratiekamp gezeten in Duitsland. Hij vertelt dat hij een geweldige ontvangst heeft gehad bij de ouders van Hettie. Dit waren de eerste mensen die lief voor hem waren en een groot invoelvermogen toonden. Hij is gebleven en maakte deel uit van die dove familie. Leo ervaart de dovenwereld als een warme wereld. Hij voelt zich er thuis. Het was voor hem een nieuwe wereld, maar geen vreemde wereld.
De vader van Hettie zat tussen de band van haar en haar moeder. Zij nam het op voor haar vader. Iemand heeft ooit tegen Hettie gezegd: “Jouw moeder heeft niet als een moeder gefunctioneerd, maar ze was echter wel een goed mens”.
Hettie waardeert de directheid en duidelijkheid van dove mensen. Als ik vraag of zij zich heeft beseft dat haar ouders anders waren, vertelt ze als voorbeeld dat het liedjes zingen op de Zondagschool haar erg is bijgebleven, want thuis werd dit niet gedaan. Ook was ze er als klein kind verbaasd over dat mensen met je konden praten en dat de horende mensen aardig waren. Ze keek als kind wel meer op tegen horenden, want ”die weten het”. Zij geeft aan dat coda’s halve doven zijn. Ze heeft zelf erg veel van de doven overgenomen.
Ze heeft wel eens gezegd : “eigenlijk ben ik een horende dove” !!
Zij heeft lezingen gevolgd van maatschappelijk werk wat die over Coda’s gingen. Er is veel gebruik van de kinderen gemaakt. Zij voelt dat ook zo. Hettie gelooft niet dat de problemen die ze met haar moeder heeft gehad voortkwamen uit de doofheid van haar moeder. Zij geeft aan dat ze door haar jeugd heeft geleerd geduldig te zijn en te luisteren.
Ook heeft ze geleerd zelfstandig te zijn. Haar ouders en de dovengemeenschap hebben haar geleerd om duidelijk te zijn en mensen aan te kijken.
Leo zegt dat Hettie altijd naar woorden moet zoeken. Zij denkt in gebarentaal en ze is als het ware moeilijke woorden te vereenvoudigen om die aan haar zusje te kunnen “vertalen”.
Ze maakt haar zinnen niet af, zegt Leo, maar Hettie vindt dat ze door haar huwelijk beter heeft leren praten. Zij sprak veel met haar handen.
Toen Hettie nog geen 50 was, is ze gaan werken op de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis. Ze woonde toen in Utrecht. Een collega aldaar zei tegen Hettie dat ze belerend overkwam. Hij bedoelde hiermee de duidelijkheid – het directe - van haar.
Toen Hettie 40 jaar was, heeft ze problemen gekregen met haar coda zijn. Ze kreeg lichamelijke klachten, terwijl ze niks mankeerde. Ze is bij een psychiater terecht gekomen waar uit gesprekken werd vastgesteld dat zij in vele opzichten “voor” is geweest. Ze had geen jeugd gehad. De psychiater heeft Hettie aangetoond dat ze niks mankeerde. Ook heeft ze met hem aan haar emancipatie gewerkt. Nog op latere leeftijd kwam haar moeder met problemen naar haar toe. Hettie heeft toen te horen gekregen dat ze haar moeder niet hoefde te helpen omdat er ook dovenhulpverlening bestond. Ze heeft haar moeder vervolgens leren los te laten.
Ze was niet alleen met haar moeder bezig, maar ook met het oorlogsverleden van haar man. Pas op latere leeftijd kwam ze aan zichzelf toe en kwam ze in de problemen .Haar hele leven komen er nog steeds dingen naar boven. Nu nog. Ze heeft geleerd om dit van haar af te schrijven. Ze houdt een dagboek bij die ze me laat zien. Het is een klein dagboek, keurig geschreven en ook met uitspraken en artikels erin geplakt. Eén uitspraak van Boedha leest ze voor: “wie glimlacht is sterker dan wie raast””. Zij leerde los te laten en haar ouders te stimuleren zelf meer aan te pakken. Ze kreeg daardoor meer ruimte voor zichzelf. Door de vele gesprekken die ze voerde, heeft ze veel geleerd. Iemand zei:”Jouw leven is niet goed of slecht geweest, maar anders”. Diegene had gelijk.
Hettie vertelt dat ze zich vanuit het verleden vaak minderwaardig heeft gevoeld. Toen ze een keer bij een vriendinnetje thuis kwam en vertelde dat haar ouders doof zijn, zei de moeder van haar vriendin dat haar grootouders een zonde begaan hadden en daardoor een doof meisje hadden gekregen als straf. Zo werd er vroeger over haar ouders gepraat. Ook zag ze vaak dat horende mensen haar ouders bespotten. Dat deed veel pijn.
Zij is pas op latere leeftijd aan zichzelf toegekomen. Toen haar kinderen de deur uit waren, ging ze allerlei studies beginnen. Ze kon goed leren en ze had veel interesse zoals filosofie kunst en geschiedenis. Ze heeft vele cursussen gevolgd en volgde hoorcolleges op de Vrije Universiteit in Amsterdam. Ze had honger naar kennis.
Zij bleef alles wat met doven te maken had volgen. Via via hoorde ze dat er in Bakkeveen een contactweekend werd georganiseerd voor coda’s. De verhalen die ze van andere coda’s hoorde tijdens dit weekend zijn haar altijd bijgebleven.
Hettie geeft aan dat ze van nature een optimist is. Ze heeft boeken gelezen van de filosoof Abel Hertzberg. Hij is was een joodse rechter die zelfs in gevangenschap in een concentratiekamp tussen de gevangenen recht heeft gesproken . Hij schreef “Aanvaard je lot”. Dat heeft Hettie gedaan. Ze heeft haar eigen kinderen bewust opgevoed. Ze heeft hen de vrijheid en de ruimte gegeven die ze zelf als kind niet heeft gehad.
Zij voelt zich in de dovenwereld veel vrijer want binnen de horende is ze veel geremder. Ze zou het liefst, als ze alleen komt te staan, in Ede wonen. Op de Gelderhorst. Daar voelt ze zich thuis. Echt thuis.
Sonja Ursem