Horende kinderen van dove ouders, een brug tussen twee werelden
Het
onderstaande is een samenvatting van een eerder door mij geschreven
artikel. Ook werd over dit onderwerp in 2000 een interview afgenomen,
hetgeen is geplaatst in het blad Psy. Deze zelfde tekst is opgenomen in het blad Coda4-tje, het eigen blad van de Coda-vereniging.
Het idee om te gaan werken met horende kinderen van dove ouders is op meerdere manieren gegroeid. Allereerst
was ik onder de indruk van de verhalen die verteld werden door
volwassen Coda’s tijdens de opleiding ‘psychische
hulpverlening aan doven’. Indrukwekkend was de verwarring,
het gevoel van overbelasting en het schuldgevoel (“ik doe het
nooit helemaal goed; ik heb geintjes uitgehaald die eigenlijk niet
kunnen” etc.) dat tijdens hun jeugd was ontstaan op basis van de
taken die zij indertijd kregen toebedeeld, zowel door hun dove ouders
als door de horende naaste omgeving. Binnen
intervisiebijeenkomsten met maatschappelijk werkenden binnen de
dovenhulpverlening was dit probleem menigmaal onderwerp van gesprek. In de kontakten van die hulpverleners met de betreffende gezinnen bleken er grote –
ogenschijnlijk onoverbrugbare – communicatiestoornissen tussen
ouders en kinderen te bestaan. Dit betreft natuurlijk niet het
begrijpen van elkaars taal, maar meer het ontbreken van begrip voor de
wereld van de kinderen. Noch de
ouders, noch de kinderen waren zich ervan bewust dat dit afweek van de
gebruikelijke gang van zaken binnen de opvoeding. De druk op de
kinderen werd niet alleen door de ouders uitgeoefend, maar ook door de
horenden in de omgeving; de Coda’s waren (en zijn) een brug die
vanuit twee kanten ‘bewandeld’ kon worden. De
boosheid die hierover bestond, kon moeilijk geuit worden. Immers,
“mijn ouders kunnen er toch niets aan doen dat ze doof
zijn!” en “ik moest wel vertalen wat de
horenden zeiden, anders stonden mijn ouders voor gek”. De
klempositie waarin horende kinderen van dove ouders zitten, is voor mij
voelbaar in de gesprekken met hen. Ze voelen hun eigen
ontwikkelingsbehoeften, die niet ten volle worden gezien of gevoeld
door de ouders. Het sterkst is dit te voelen in de adolescentieperiode
wanneer de jongeren zich willen gaan losmaken van het gezin. Dit wordt
hen niet in dank afgenomen. Het beangstigt de ouders dat hun kind zal
vertrekken; het bezorgt het kind schuldgevoelens omdat zij/hij over
vertrek (= verlating van de ouders) denkt. Tegelijkertijd hebben ze volop begrip voor hun ouders, hebben medelijden met hen en voelen zich vooral loyaal. De
ambivalentie van deze (toenmalige) kinderen naar hun dove ouders was
groot. Enerzijds vonden zij het vanzelfsprekend om de hun opgedragen
taken te doen, zoals: tolken in winkels of naar buren,
telefoongesprekken voeren over (voor hen) ingewikkelde onderwerpen, hun
ouders vertegenwoordigen naar instellingen, soms uitkeringen aanvragen
of aan de huisarts uitleggen wat vader of moeder mankeert. Anderzijds
voelden zij dit als een te zware belasting, waar ze niet tegen waren
bestand. In dit verband past de opmerking van prof.
Sanders-Woudstra die stelde: “Wat snel groeit, is
kwetsbaar”. Dit alles
werd ook verteld door de groep jongeren die ik twee jaren – met
tussenpozen – heb begeleid. Graag ben ik bereid aan te
nemen dat de probleemervaring van jong-volwassenen anders is dan van
oudere coda’s. Immers, hoe verder je van de directe ervaringen
bent weggegroeid, hoe meer je alles kunt beredeneren.
Hieronder volgt een korte beschrijving van doel en opgedane ervaringen
in de betreffende groepstherapie, zowel mijn eigen bevindingen als van
de betreffende jongeren.
DOEL - De
jongeren met elkaar in contact brengen, zodat ze ervaringen kunnen
delen,
waardoor
hun gevoel van isolement wordt verkleind - psycho-educatie geven over de psychologische ontwikkeling van hen als individu, alsook de achtereenvolgende fasen binnen gezinnen, waardoor er ook aandacht kon komen voor
het ontwikkelen van grenzen, waardoor individuatie-separatie op
gang kan komen, zodat uiteindelijk losmaking uit het
gezinssysteem mogelijk wordt(voornamelijk voor de oudsten in de groep).
INHOUD Het was voor
de deelnemers verbazingwekkend - en tegelijkertijd een opluchting
- om te merken dat zoveel andere jongeren dezelfde ervaringen
hadden als zij zelf. De ervaringen
op school, met alle pesterijen van dien omdat ze uit “een raar
gezin” zouden komen, werden gedeeld. Ook hun sociale
onvaardigheden, schaamte en daardoor isolement kwamen aan de orde. Dat zelfs de bijbehorende gevoelens overeen kwamen, was een openbaring voor hen. Aan de kennismaking en het uitgebreid delen van ervaringen is gedurende twee bijeenkomsten uitgebreid aandacht besteed.
De derde bijeenkomst stonden we stil bij: wat betekent het eigenlijk als je als volwassene doof bent waarom praten onze ouders zo anders dan anderen. Het leek me
goed hierbij stil te staan, omdat in de eerste twee bijeenkomsten de
sterke ambivalentie naar hun ouders voelbaar was. Naast alle gevoelens
van boosheid, omdat ze niet begrepen worden, zijn deze kinderen
natuurlijk ook heel loyaal naar hun ouders. Opvallend hierbij was dat
de jongere kinderen meer loyaliteit toonden naar hun ouders, terwijl de
oudsten meer konden en durfden te objectiveren: ze voelen zich
verbonden met hun ouders, maar hadden ook welgemeende kritiek.
Tijdens de vierde bijeenkomst
heb ik in algemene zin de psychische ontwikkeling van kinderen
geschetst. Ik liet hen fantaseren over de kennis en mogelijkheden van
kinderen van verschillende leeftijden, vanaf de babytijd tot ongeveer
15 jaar. Al pratend realiseerden ze zich dat er van henzelf veel meer werd verwacht. Hierdoor
bleek hen meer dat zij als jonge kinderen veelal overvraagd waren; de
taken die ze kregen, hoorden niet bij hun ontwikkelingsleeftijd.
Het was dus ook niet zo vreemd dat ze sommige dingen
‘verkeerd’ hadden gedaan in de ogen van hun ouders. Toen
pas durfden ze zich hardop af te vragen of hun schuldgevoel
misschien niet helemaal terecht was geweest.
Hierdoor werd hun duidelijker dat hun ideeën en ontwikkelingsbehoeften niet abnormaal waren. Hierbij kon
ook aandacht besteed worden aan de achtereenvolgende fasen binnen
gezinnen, gekoppeld aan de ontwikkelingsovergangen van de kinderen. Met
andere woorden: het is niet vreemd als ook een horend kind van dove
ouders de behoefte voelt om zich op een gegeven moment los te maken uit
het gezin en zijn eigen weg te gaan.
Door deze
nieuwe informatie en gedeelde ervaringen werd er een klein voorzichtig
begin gemaakt om anders te mogen gaan denken over zichzelf.
Begin 1999
startte parallel de groep voor de ouders van deze kinderen. Dit deed ik
samen met een collega. In deze groepsbijeenkomsten waren dezelfde
items onderwerp van gesprek als in de Coda-groep. Hierbij merkten
wij zelf hoe moeilijk het is om de emoties en de belevingen van hun
kinderen te verduidelijken naar de ouders. De ouders in deze groep (wat
dus niet wil zeggen dat alle ouders zo zijn) bleken vooral gericht op
hun eigen behoeften, waardoor het zeer moeilijk voor hen was zich te
verplaatsen in hun kinderen.
Ter afronding van de groepsbijeenkomsten hebben allen hun ervaringen op papier gezet. Dit hebben ze met elkaar gedeeld. Als er behoefte aan is, mag ik met hun toestemming de tekst openbaar maken. Het
afscheid was voor hen heel emotioneel. Ze hadden het gevoel een
fase af te sluiten. Ze hebben elkaars adressen en telefoonnummers
genoteerd.
SAMENVATTING In het werken met (jong volwassen) horende kinderen van dove ouders blijken de volgende kenmerken zich voor te doen:
eigen gevoelens:
schaamte over zichzelf; problemen met zelfacceptatie
gevoel anders te zijn
sociale angst en onzekerheid
schuldgevoelens
het gevoel vaak te falen als goed kind; hieruit ontstaat de neiging tot perfectionisme
ingehouden boosheid, hetgeen leidt tot sombere gevoelens.
binnen het gezin:
onduidelijke subsysteemgrenzen en parentificatiekluwenpatronen en dus individuatie-separatieproblemen.
sociaal
geremd
neiging zich terug te trekken
potentiële prooi voor pesters
denken over zichzelf:
ik ben anders
ik hoor er niet bij
ik kan het niet zo goed als andere kinderen
ik ben sociaal onhandig
ik moet altijd klaarstaan, behulpzaam zijn
ik mag niet rebelleren
ik mag niet boos worden op mijn ouders, anders ben ik geen goed kind.
AANBEVELINGEN Binnen de
geestelijke gezondheidszorg moet aandacht komen voor de problematiek
van coda’s ( waarmee ik niet zeg dat alle coda’s per
definitie problemen hebben) Het is goed
als er groepsbijeenkomsten zijn van coda’s onderling – al
of niet met een therapeut – waarin ervaringen en emoties gedeeld
kunnen worden Voor therapie
kan een coda mijns inziens het beste terecht bij iemand die verstand
heeft van de betekenis van doofheid binnen een gezin
Juli 2001
Onze dank gaat uit naar Ankie Wessels Beljaars voor het beschikbaar stellen van deze informatie